Latest Blogposts

Hoe train je de zijgangen?

Om het paard symmetrisch te ontwikkelen in lijf en ledematen, gebruik je gymnastische oefeningen, ook wel de zijgangen genoemd. Veel gestelde vragen zijn:

  • Wat is nu precies het verschil tussen de travers en renvers?
  • Op hoeveel sporen moet de schouderbinnenwaarts nu precies?
  • Waar moet ik beginnen?
  • Wanneer kan ik met een volgende oefening beginnen?
  • Wat moet ik doen als het de ene kant op makkelijk gaat en de andere kant moeilijk?

De zijgangen bestaan uit de basis oefeningen – de hoekstenen – en een aantal varianten daarop.

De hoekstenen

De kern van alle gymnastische oefeningen bestaat uit de volte, schouderbinnenwaarts en travers. Alle andere oefeningen zijn afgeleid van deze ‘hoekstenen’.

 De volte wordt gebruikt voor het ontwikkelen van de Laterale buiging van het lichaam en de wervelkolom, de Voorwaarts neerwaartse houding van hoofd en hals en het Ondertreden van het binnenachterbeen (LVO).

 Wanneer het binnenachterbeen kan ondertreden, kan dit achterbeen ook gewicht gaan opnemen. Hiervoor gebruiken we schouderbinnenwaarts en contra-schouderbinnenwaarts. Deze oefeningen zijn bedoeld om het achterbeen in de functie van het binnenachterbeen te trainen. Dankzij het opnemen van het gewicht zal het paard het binnenachterbeen meer gaan buigen en de buitenschouder wordt vrijer.

 Wanneer het paard het achterbeen als binnenachterbeen kan buigen, kunnen we ook het achterbeen in de functie van het buitenachterbeen gaan trainen. Hiervoor gebruiken we eerst de oefening travers en later ook de renvers. In de renvers heeft het paard met zijn schouder minder steun aan de bakrand, waardoor het iets moeilijker is dan de travers, maar dat zorgt er wel voor dat hij zichzelf echt ondersteund met zijn achterbenen.

Alle oefeningen hangen met elkaar samen

Alle oefeningen hangen met elkaar samen en verschillen maar weinig:

 Het enige verschil tussen schouderbinnenwaarts en contra-schouderbinnenwaarts is de positie van de bakrand. Hetzelfde geldt voor travers en renvers, ook hier is het enige verschil de positie van de bakrand.

 Het verschil tussen schouderbinnenwaarts en renvers is de buiging in de wervelkolom; die is andersom. In deze oefeningen heeft hetzelfde achterbeen de tegenovergestelde functie (‘binnen’ in schouderbinnenwaarts, ‘buiten’ in renvers). Hetzelfde geldt voor contra-schouderbinnenwaarts en de travers.

 Het appuyement is ‘gewoon’ een travers over de diagonaal, en de pirouette is ‘gewoon’ een travers op een kleine cirkel. Zowel het appuyement als de pirouette hebben de ondersteuning van zowel het binnen- als het buitenachterbeen. Daarom moeten in beide oefeningen de schouders leidend zijn, om het zwaartepunt voor de richting van de achterbenen te houden, want alleen dan kunnen beide achterbenen het gewicht dragen. Het appuyement en de pirouette zijn beide ook verwant aan de schouderbinnenwaarts.

Het aantal sporen en de mate van buiging

Alle oefeningen kunnen gedaan worden op 3 of 4 sporen, of 2,5 sporen, of 3,75 of 3,99  en je paard kan meer of minder buiging hebben in zijn wervelkolom. Er is geen ‘perfect’ aantal en de exacte mate van buiging maakt niet uit. Waar het om gaat bij het rechtrichten, is dat je het aantal sporen en de mate van buiging kiest aan de hand van waar je paard zijn lichaam en zwaartepunt het beste kan ondersteunen met zijn beide achterbenen. En dat hangt af van de bouw van je paard: of hij een langere of een kortere rug heeft, of hij langere of kortere benen heeft, of hij een langere of kortere hals heeft. Dus kies de mate van buiging en het aantal sporen waarbij je paard in optimale balans loopt met de meeste kwaliteit.

Hoe bouw je deze oefeningen op?

Begin eerst met de volte. Na een aantal trainingssessies voeg je de schouderbinnenwaarts toe en op het moment dat het paard deze oefening kan doen met een kwaliteit van 66,6% (tweederde), voeg je de travers toe. Vanaf daar kan je beginnen met het trainen van de variaties en de andere zijgangen, te beginnen met de renvers, dan het appuyeren en vervolgens de pirouette. Bij de pirouette begin je eerst met een zogenaamde ‘werkpirouette’ waarbij je de travers op een grote volte start. Geleidelijk aan maak je de volte dan kleiner en dit hangt af van de behendigheid van je paard en de kracht en souplesse in zijn achterbenen.

Hoe maak je je paard ‘recht’?

Om een paard gelijkmatig te ontwikkelen in lijf en ledematen, moeten alle oefeningen zowel op de rechterhand als op de linkerhand worden gedaan. Als je deze oefeningen doet, zal je merken dat er altijd een ‘makkelijke’ en een ‘moeilijke’ kant is. Om het paard recht te richten, doe je de moeilijke kant iets vaker. Het is bijvoorbeeld een goed idee om te beginnen met de moeilijke kant en ook te eindigen met de moeilijke kant. Zodra het paard aan beide kanten meer gelijk voelt, ga je de oefeningen evenveel linksom als rechtsom trainen.

Meer weten?

Wil je meer weten over het rechtrichten?

Meld je dan nu aan voor de spiksplinternieuwe ST Mini Mastery cursus die je gratis kan bekijken – het is echt de moeite waard!

Ook voor familie en vrienden zonder paarden, die wel eens willen weten wat dat ‘Rechtrichten’ of ‘Straightness Training’ nu toch is waar je het steeds over hebt – dit is hun kans om er achter te komen 😉

En ook voor je zelf zit het vol met waanzinnig goede informatie die meer diepte geeft aan de training met je paard.

Klik HIER om de vierdelige cursus te volgen>>

0 reacties op “Hoe train je de zijgangen?

Plaats een reactie


*